Hondenziekte
Hondenziekte (ziekte van Carré, distemper) is een ernstige, door een virus veroorzaakte aandoening die meerdere orgaansystemen van honden kan aantasten. De ziekte verloopt vaak acuut en kan, vooral bij jonge of onvoldoende gevaccineerde dieren, levensbedreigend zijn.
Symptomen
Luchtwegklachten
Neus‑ en ooguitvloeiing, hoesten, benauwdheid en soms longontsteking zijn veelvoorkomende eerste tekenen.
Maag‑ en darmklachten
Verminderde eetlust, braken en diarree (soms met bloed) komen vaak voor en kunnen snel tot uitdroging leiden.
Neurologische verschijnselen
Enkele weken tot maanden na de eerste klachten kunnen tremoren, stuipen, spierzwakte, verlammingen, evenwichtsstoornissen en gedragsveranderingen optreden. Neurologische symptomen hebben vaak een slechtere prognose.
Huid en poten
Van milde huidpuistjes tot verdikking van de neusspiegel en voetzooltjes (hardpad); sommige huidafwijkingen genezen goed, andere hebben een slechte prognose.
Oogproblemen
Ontstekingen, troebele ogen, droge ogen en in ernstige gevallen blindheid door ontsteking van de oogzenuw of netvliesbeschadiging.
Diagnose
De diagnose kan niet uitsluitend op symptomen worden gesteld omdat andere ziekten vergelijkbare klachten geven. Vaststelling gebeurt met laboratoriumonderzoek zoals PCR of immunofluorescentietests op neus‑ of ooguitvloeiing en met antilichamentests. Routinebloedonderzoek kan ondersteunend zijn (bijvoorbeeld verlaagde lymfocyten), maar is niet doorslaggevend. Snelle en gerichte diagnostiek is belangrijk voor isolatie en behandeling.
Verspreiding en incubatietijd
Het virus verspreidt zich via hoesten, niezen, direct contact en besmette secreties; ook ontlasting en urine kunnen virus bevatten. Wilde dieren kunnen als reservoir fungeren. De incubatietijd is kort: meestal 3–6 dagen tot een koortspiek, met klinische klachten binnen 1–4 weken; neurologische verschijnselen kunnen later optreden. Besmette dieren kunnen weken tot maanden virus uitscheiden.
Behandeling en quarantaine
Er bestaat geen specifieke antivirale standaardtherapie; de behandeling is ondersteunend: opname voor verpleging, infusen, middelen tegen braken, dwangvoeding en breedspectrumantibiotica tegen secundaire infecties. Bij verdenking moet het dier in quarantaine om verdere verspreiding te voorkomen. Na herstel geldt vaak nog een periode van vier weken zonder contact met gevoelige dieren.
Preventie
✅ Vaccinatie is de meest effectieve maatregel; pups worden doorgaans gevaccineerd rond 6, 9 en 12 weken en opnieuw op 12 maanden, daarna meestal elke drie jaar of op basis van titerbepaling.
✅ Voorkom contact met wilde dieren en controleer de vaccinatiestatus van nieuwe of geïmporteerde honden.
Hygiëne en desinfectie: routine schoonmaak, desinfectie, hitte en uitdroging doden het virus in de omgeving snel.
✅ Let op herkomst pups: pups uit grootschalige fokkerijen of uit het buitenland hebben een verhoogd risico; controleer gezondheidspapieren en vaccinatiestatus.
Prognose en advies
Sommige honden herstellen volledig; anderen overlijden of moeten worden geëuthanaseerd bij ernstige ziekte. Neurologische en bepaalde oog‑ of huidafwijkingen kunnen blijvend zijn. Bij elke verdenking op hondenziekte: neem direct contact op met de dierenarts, isoleer het dier en volg de instructies van de dierenarts strikt op.